Lubach omhelst de farma

Op 8 oktober ging het bij Zondag met Lubach over alternatieve geneeswijzen. Ik vind Lubach meestal wel grappig en hij stipt ook vaak belangrijke maatschappelijke vraagstukken aan. Maar deze aflevering vond ik wat minder (en dat is misschien niet verbazend).

Lubach zei min of meer dat er aan de ene kant reguliere geneeskunde is en die is bewezen en aan de andere kant alternatieve geneeskunde en die is niet bewezen en mag zich daarom geen geneeskunde noemen. Maar zo simpel is het niet. In dit bericht buig ik me over zijn expliciete en impliciete stellingen en kijk ik of het ook klopt wat hij zegt. Summier zijn er drie stellingen:

  1. In de reguliere geneeskunde is alles bewezen.
  2. Er zijn geen bewijzen voor de werkzaamheid van alternatieve therapieën.
  3. Bewijs moet de gouden standaard voor de hele geneeskunde zijn.

1) Geneeskunde op basis van bewijs (of beter ‘evidence based medicine’) is een beweging die in de jaren 1960 is ontstaan vanuit een antiautoritair idee. Niet meer de mening van een autoriteit moet de maatstaf van een behandeling zijn, maar het bewijs dat het werkt. Er zijn verschillende methodes ontwikkeld om de kwaliteit van een behandelmethode te kunnen meten: dubbelblinde tests, randomized control trials (RTC) en meta-analyses, waar meerdere RTCs worden vergeleken.
In de afgelopen decennia is Het aantal studies explosief gegroeid en bewijs van effectiviteit wordt meer en meer de grondslag voor klinische beslissingen. Naast statistische bewijzen hebben artsen ook hun ervaring uit de praktijk. Verder hebben ze fysiologie en pathologie geleerd en kunnen op basis van die kennis conclusies trekken. De voorstanders van de ‘evidence based medicine’ willen dat deze methodes slechts een marginale rol spelen. In de jaren 1990 was naar schatting 20-70 procent van de behandelingen in de reguliere geneeskunde op bewijs gebaseerd. Vandaag gaat het volgens de voorstanders meer in de richting van 80 of 90.1
Klopt dus de stelling van Lubach dat alles in de reguliere geneeskunde bewezen is? Dat willen de voorstanders van de ‘evidence based medicine’ graag, maar het klopt niet helemaal. Artsen doen dus ook vaak dingen die ze naar hun beste weten en geweten doen. Daar is ook niets mis mee want geneeskunde is niet alleen maar een wetenschap, maar ook een kunst.

2) De beweging voor ‘evidence based medicine’ zien hun methodes als enige grondslag voor alle geneeskunde. Voor hen is er alleen maar bewezen geneeskunde of geen – in ieder geval geen alternatieve, zoals Lubach dat ook beweerde. In reactie daarop zijn in de afgelopen 20 jaren steeds meer studies ontstaan die de werkzaamheid van zekere alternatieve methoden willen bewijzen. Deze studies omvatten o.a. Chinese geneeskunde, acupunctuur, massage, shiatsu, osteopathie en craniosacrale therapie (en als ik van alternatieve geneeskunde spreek, zo denk ik aan deze therapievormen). Wat cranio betreft zijn er tot nu toe 13 RTCs en 3 meta-analyses gedaan. Een van deze meta-analyses over chronische pijn laat zien dat cranio een duidelijke effect heeft in vergelijking met geen behandeling en met nep-aanraking.

Maar daarmee wordt deze behandeling nog niet automatisch als bewezen beschouwd. De Cochrane review, ook de bijbel van de ‘evidence based medicine’ genoemd, bekritiseert de kwaliteit van de studies. Vaak staan er conclusies zoals ‘er zijn meer studies nodig’, of ‘het aantal van participanten was te klein’, of ‘de effecten waren niet specifiek genoeg’. De eisen voor een bewijs zijn hoog. Alleen grote ziekenhuizen en de farmaceutische industrie hebben het geld en het personeel, om grootschalige studies uit te voeren. De meeste geaccepteerde studies komen uit de acupunctuur, maar het bewijs van effectiviteit was niet genoeg. Het werd pas geaccepteerd toen de reguliere geneeskunde met een theorie van de werking opkwam die bij het dominante beeld van ziekte paste.2

Precies dat model van ziekte is een probleempunt en is de oorzaak dat binnen de alternatieve geneeskunde de deelname aan studies omstreden is. De ‘evidence based medicine’ beschouwt ziekte als een vast iets dat onafhankelijk van het zieke individu kan gemeten en beschreven worden. Maar deze opvatting die de basis legt voor RTCs wordt door vele alternatieve richtingen niet gedeeld. Bij cranio  staat  een mens met zijn hele geschiedenis  in het centrum.  Een eerste intake duurt vaak een half uur, er is dus veel tijd voor de cliënt om zijn situatie te vertellen. Door de systemische aanpak is er minder focus op het symptoom zelf. Nekpijn is daar geen vast iets dat een zeker behandelingsmethode vraagt, maar een verschijnsel van een individuele lichaam. Bij de ene heeft het met een valpartij als kind te maken, bij de ander met een psychisch trauma en bij de derde met chronisch verkeerd gebruik van de spieren. Afhankelijk daarvan gaat de therapeut verschillende routes volgen.

Klopt dus de tweede stelling? Nee, want er zijn bewijzen voor de werking van enkele richtingen. Maar die worden pas geaccepteerd als het ook in de theorie past. Zolang de alternatieve methodes andere theorieën over ziekte hebben, kunnen ze ook niet bewezen worden.

3) Moet dan de RTC de enige grondslag voor de hele geneeskunde zijn?

De ‘evidence based medicine’ heeft een fundamenteel probleem: Het gaat over statistiek, maar naar de praktijk komt een individu, mensen met een persoonlijk verhaal. De statistiek hoeft niet te kloppen voor het individu. Een reden kan zijn dat studies zich nog te vaak op witte mannen richten, maar ook simpelweg omdat iedere mens zijn eigen combinatie van klachten en zijn eigen voorgeschiedenis heeft. De onderzoeken geven dus niet antwoord op de vraag, wat de beste behandeling voor die éne patiënt in de praktijk is.

Een grote deel van de patiënten van alternatieve therapieën kiest ervoor, omdat ze in de reguliere geneeskunde niet de hulp hebben gevonden die ze nodig hadden. De voordelen van cranio liggen in het bijzonder bij niet-specifieke klachten zoals chronische pijn of vermoeidheid. Waarom zou dan precies voor deze mensen geen opvangnet meer zijn, een net dat ook niet zo duur is? De meeste mensen zijn immers heel tevreden met de zorg die ze bij alternatieve therapeuten krijgen.

  1. De getallen uit 1997 zijn gebaseerd op een verzameling van data door Andrew Booth. Zijn website, waar hij de data heeft verzameld, is alleen nog via de wayback machine bereikbaar. Zie ook Kenneth Goodman (2003), Ethics and evidence based medicine; Denise M. Rousseau (2012), The Oxford Handbook of Evidence-based Management
  2. Tonelli, M.R./Timothy C. Calahan (2001). Why alternative medicine cannot be evidence based. Academic Medicine, Vol. 76 (12), P. 1217.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *